Meer structuur, minder succes

Baanwielrenners nemen ploegenachtervolging wél serieus

(Door Edward Swier)
APELDOORN (GPD) – Bij het schaatsen hangt het onderdeel er maar een beetje bij. Rijders en coaches lijken – in Nederland in ieder geval – de ploegenachtervolging maar niet serieus te willen nemen. In de wielersport is het zo anders. Logisch. Via de ploegenachtervolging (en teamsprint) is de route richting de Spelen het kortst. Maar in Londen meedoen voor een medaille, dat lijkt voor de Nederlandse mannenploeg wat te veel gevraagd. Dat is, zelfs al maak je er soms een rommeltje van, in het schaatsen dan weer een stuk eenvoudiger.
Op de openingsdag van het WK baanwielrennen in Apeldoorn wisten zowel de teamsprinters (zevende) als achtervolgers (zesde) zich niet voor de strijd om de medailles te plaatsen. Wel werden, met het oog op de Spelen van Londen, belangrijke punten gesprokkeld. En bondscoach Robert Slippens had nog een ander lichtpuntje voor de achtervolgingsploeg gezien. ,,We zitten de laatste jaren altijd acht tot tien seconden achter de finalisten, nu geven we maar zes seconden toe op Australië en Rusland.”
Opnieuw bleef Slippens keurkorps echter ver weg (4.06,552) van een tijd onder de 4 minuten, die wel nodig is om olympisch te scoren. Het Nederlands record van 4.04,605, in 2004 op de Spelen van Athene gereden, bleef andermaal buiten beeld. Niemand had een superdag, had Jenning Huizenga gemerkt.
De vraag is of het kwartet het überhaupt in zich heeft. Huizenga, ja, die kan het. Maar Tim Veldt, Levi Heimans en Arno van der Zwet konden niet harder. Slippens, eerlijk: ,,Ik zou er nog wel een aantal Jennings bij willen hebben.” De Fries, die de laatste 750 meter van de vier kilometer op kop bleef rijden, zelf ook. Glimlachend: ,,Maar we zijn wat laat om mij nu nog te klonen.” Hij opperde na de race Theo Bos en Wim Stroetinga toch maar eens te benaderen. ,,De selectie is niet zo breed als je zou willen”, riepen Huizenga en Slippens in koor. Maar, hoor je Slippens piekeren, hoe week je tempobeulen als Niki Terpstra – jongens met vermogen én baanervaring – voor de Spelen los bij hun wegploeg?
En lukt dat, dan zullen ze toch geregeld moeten meetrainen. Het onderdeel vraagt namelijk, net als de achtervolging bij het schaatsen, veel coördinatie. Wie geoefend is, ziet vaak al aan een heupbeweging van zijn voorganger of deze van plan is af te lossen. Een hardrijder is niet zomaar inpasbaar. ,,Je moet elkaar blind vertrouwen. Met 55, 60 kilometer per uur slechts luttele centimeters van het achterwiel van degene die voor je rijdt, dat vraagt veel training, durf, routine én concentratie”, zegt bondscoach Robert Slippens. ,,Daar moet je veel tijd in investeren.”
Van de vijf trainingsdagen staan er, zegt Slippens, doorgaans ,,minstens drie in het teken van de ploegenachtervolging. Dat met hoge snelheid op elkaars wiel rijden moet erin slijten, het moet een tweede natuur worden. Slechts door het heel veel te doen worden de aflossingen vlekkeloos, het vertrouwen in elkaar grenzeloos.”

Voor de GPD-bladen, woensdag 23 maart 2011

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Baanwielrennen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s