Spijkers wisten Grift altijd vinden

(Door Edward Swier)

Soest-Woudenberg. Met de auto een klein stukje. En ook op de racefiets goed te doen. Maar, op de ‘gewone fiets’, zo’n kreng van vele kilo’s, was het nog een hele hijs. Het waren ludieke wedstrijdjes. ,,Wie het eerste terug was. Daar ging het om. De winnaar kreeg een fles jenever. Al dronken we ‘m altijd, we waren tenslotte vrienden, gezamenlijk op.”

Evert Grift won heel wat flessen van zijn maatjes. Zo was ook zijn vader opgevallen. Evert senior verkocht daarom maar een duivenklok. Hij kreeg er een leuk prijsje voor, genoeg om een heuse racefiets voor zoonlief, toen inmiddels zestien jaar, te kopen. Het zou het begin zijn van een relatief korte, maar beslist bewogen carriere. Met als onbetwist, sportief hoogtepunt de zege in de Ronde van Limburg van 1948, de eerste editie van de roemruchte klassieker.

Het is inderdaad precies vijftig jaar terug. En omdat er in 1949 geen Ronde van Limburg was, wordt morgen ook nog eens precies de vijftigste uitgave gereden. Redenen genoeg om met Grift, 76 inmiddels, eens terug te blikken. Op die memorabele dag. En alles wat daarna volgde.

Het staat Grift, die jarenlang voorzitter/bestuurslid van de Gooise Wielerclub de Adelaar is geweest, als zodanig een wielerbaan in Hilversum wist te realiseren en bovendien ook tot de oprichters van Tempo Soest behoorde, allemaal nog helder voor de geest. ,,Ja, 1948 was mijn beste jaar. Ik won dertien koersen dat seizoen.” Gestart in Maastricht met de gedachte dat er bij winst in Limburg een plekje in de olympische ploeg voor hem zou zijn, reed hij de koers van zijn leven. ,,Het was echt slecht weer die dag, regen en storm. Bij Roermond was het afschuwelijk. Hoosbuien. Toch bleef ik voorin koersen.”

Hele grote kip

Onderweg wilde het materiaal niet wat Grift wilde. ,,De zestien sloeg steeds over. Die kon ik niet gebruiken. De dag ervoor had ik namelijk nabij Den Haag gereden, langs de kust. Daar kreeg ik toen problemen met m’n apparaat. Gerrit de Weerd, een goede vriend, heeft er tot half twee ’s nachts – ikzelf lag al lang in bed – nog aan zitten sleutelen. Maar het tandwieltje dat-ie nodig had, was niet te krijgen. Vlak voor de koers, ik had nog gauw een kip, zo’n hele grote, zitten oppeuzelen, merkte ik het. Gerrit kon er niks meer aan doen, na een paar trappen sloeg het ding steeds over.”

Huub Vinken, ‘Huubke’ op z’n Limburgs, had al een hele tijd op kop gereden, maar kreeg op de Cauberg een enorme inzinking. ,,Op vijftien kilometer voor het eind ging Jef van Briel, een Belg, ervandoor. Theo Blankenaauw sprong mee, ik volgde later.”

Het trio staat op een van de netjes ingeplakte foto’s. In de sprint. Grift op kop, de rest zichtbaar verslagen. ,,We gingen samen de sintelbaan in Geleen, daar finishte de race toen nog, op. Die twee kwamen wijd uit de bocht, bang om onderuit te gaan. Zelf kon ik nauwelijks nog remmen, ik had namelijk net daarvoor mijn rem van m’n stuur getrokken. ’t Kabeltje sleepte achter me aan. Maar goed, in een van de eerste bochten had ik ze al te pakken. Daarna was ik niet meer te stuiten.”

De reis naar Limburg had even geduurd. ,,De wegen waren natuurlijk lang niet zo goed begaanbaar als nu. De oorlog had zijn sporen nagelaten. Je moest wel eens een stukje om. Je keek ook niet raar op als je, zoals toen, op een noodweg terechtkwam die je dwars over een kerkhof voerde.” Maar de terugreis uit Limburg vroeg vele uren meer.

Het geduld van de fans thuis, die Grifts verrichtingen hadden kunnen volgen dankzij een radioverslag van Dick van Rijn en het huis aan de Hartweg helemaal versierd hadden, werd danig op de proef gesteld. ,,We kwamen pas om een uur of twee, half drie ’s nachts in Soest aan. Onderweg waren we namelijk even gestopt. Voor een consumptie. Het was in de buurt van Veghel. Mijn broer, die bij de politie zat en op de motor naar Limburg was gekomen, ging voorop. In vol ornaat. Met de krans, die ik had gewonnen, om zijn nek. Zo stapte hij dat cafeetje binnen. Of hij die gewonnen had, vroegen ze ‘m. Het zat er helemaal vol trouwens, allemaal schutters van het plaatselijke gilde. Toen ze hoorden dat die krans van de winnaar van de Ronde van Limburg was, van mij dus, konden we niet meer stuk. Helden waren we. Het werd groot feest. En we hebben, geloof ik, niet hoeven af te rekenen.”

Lijkbleek

Als gezegd, het leverde Grift – die lange tijd in de Hilversumse Rozenstraat heeft gewoond en zich nu alweer een jaar of vijftien Loosdrechter mag noemen – een uitnodiging voor de Spelen op. De trip naar Londen, daar waar Fanny Blankers-Koen furore maakte, was een verhaal op zich. ,,Hier, dit is een foto van ons op de boot. Vlak voor vertrek. Tenminste, dat dachten we. Die boot is nooit weggevaren. Panne. Maar, er werd op ons gerekend in Londen, we konden niet wachten tot het ding gemaakt was. Dus wij, de volgende dag dat wel, met het vliegtuig. Nou dat was natuurlijk wat. Aanvankelijk hadden we wel lol. Maar toen keek ik eens uit het raam, wees op de propellers en vroeg me hardop af wat er zou gebeuren als één ervan ermee zou kappen. Die arme kerels om me heen, lijkbleek. Meteen. Het was de hele vlucht stil.”

Het zat Grift op de Olympische Spelen niet bepaald mee. Liefst drie keer reed hij lek. ,,De teleurstelling was groot, ik had me er een hoop van voorgesteld. Ben er wel nog altijd trots op. Ik heb toch meegedaan aan de Spelen, behoorde toen dus tot de besten. Het leek in die tijd trouwens wel of ik altijd het slachtoffer was. Ze zeiden wel eens: als er een spijker op het parcours ligt, kruipt-ie vanzelf op Evert aan. Tijdens de Spelen kregen we een pompje mee. Lek? Dan moest je er zelf een bandje omgooien, pompen. Dat ding, een gonfleur werd het genoemd, heeft me nog een hoop ellende opgeleverd. Terug in Nederland moesten we al ons materiaal weer inleveren. Ook dat kreng. Maar dat had ik mooi gehouden. Dreigden ze me prompt het jaar erop geen licentie te geven. Zo ging dat toen.”

Het waren geen rijke jaren. Vandaar ook dat Grift weliswaar nog veel tastbare herinneringen heeft, maar zijn olympische uitgaanstenue snel ‘weg’ was. ,,Daar heeft mijn vrouw toen een pakje voor de kleine van gemaakt.” De tientallen, vergeelde, maar netjes gearchiveerde krantenknipsels heeft hij nog wel. Net als een fiks aantal bekers. Van zilver, maar ook van aluminium. Uit de oorlog. En dan zijn er fotoboeken. Wel drie, vier. En een map vol medailles. De beste verhalen zitten echter in het nog frisse hoofd. Grift weet alles nog.  ,,Op het WK, datzelfde jaar in Valkenburg, heb ik ook op moeten geven. Twee keer lek. We moesten toen 24 keer de Cauberg op. Bartali, toch geen kleine jongen toen, noemde het onmenselijk.”

Over pech gesproken. Er zijn meer verhalen. Zoals over de Benelux-wedstrijd, Breda-Antwerpen-Amsterdam. ,,Een kennis, die een taxi had, zou me naar de start brengen. Maar er kwam iets tussendoor, een spoedgeval van het ziekenhuis in Utrecht. We gingen veel te laat van huis. De rest was al gestart. Zeven minuten eerder. Ik had me in de wagen al omgekleed, griste een rugnummer van de tafel en, hop, er achteraan. In de straten van Antwerpen had ik ze achterhaald, op de streep in Amsterdam was ik nog vierde.”

Schapenvet

Na de Spelen en dat WK werd Grift prof. Als broodrenner zou Grift, zowel in 1948 als 1949 vijfde op het NK, minder oogsten dan hem lief was. ,,Ik leefde er echt voor. Ging altijd vroeg naar bed, voor tienen. Geen feestjes, beslist niet zwemmen of dansen. Dat was slecht voor je benen. Ik trainde de ene dag zo’n tweehonderd kilometer, beperkte me de dag erna tot korte, venijnige sprintjes. Maar het was dat ik af en toe nog eens een huisje opschilderde, bij anderen zo nu en dan een kamertje ging behangen, want het was bepaald geen vetpot. Wel voor de hele grote jongens, Gerrit Schulte, Gerrit Voorting, Wim van Est en Theo Middelkamp. Die kregen toen al beste startgelden. De rest moest sappelen. Daarom maakte ik ook zelf schapenvet, om je zeem in je broek mee in te smeren. Die deden we thuis, aan de keukentafel, in wc-rollen, en verkochten ze door het hele land op de koers. Grifts schapenvet was beroemd.”

Prijzen werden meer dan eens in natura uitgekeerd. Er werd gespurt voor kisten appels, in de hoop dat die nog voor de terugreis – doorgaans per fiets – nog konden worden gesleten. Er werd ook vaak zat ‘met hun kloten gespeeld’. Zoals in de Ronde van Breda, 1951. ,,Daar reed je op recette. Het zag er zwart van de mensen. Dus dachten wij: kassa. Maar dat had de belasting ook door. Dus die gasten zaten erbij, in de kassahokjes. Om te innen. Verdween de helft in de staatskas. Wij kregen ons deel van wat er overbleef. Ik had 150 gulden. Honderd en vijftig van die bruine briefjes van een piek. Niet veel. Maar we konden er gelukkig wel een kinderwagen van kopen.”

Grift won slechts één profkoers, augustus 1949 in Hoogerheide. Reed dat jaar ook de Ronde van Vlaanderen. ,,Echt, met heel wat meer kinderhoofdjes dan nu. Daar zouden de huidige profs van schrikken. Vijftien kilometer voor het eind brak m’n zadel af. Staand op de pedalen heb ik het laatste stuk naar het Sportpaleis in Antwerpen afgelegd. Ik werd43-ste.”

Als lid van de JOCO-ploeg werd Grift, met zijn teammaats, tweede in de ploegenrangschikking- een toen nog heel prestigieus klassement – van de Ronde van Nederland. Later kwam hij opnieuw terug in de Profronde, nu in dienst van de Franse Arlequin-ploeg. ,,Dat was een debacle. Ik kwam te vallen, raakte los van het peloton. Eenmaal weer op gang gekomen, dacht ik op de juiste route te zitten. Plots zat ik echter voor het peloton, had ik een heel stuk afgesneden.Tsja, dat ging natuurlijk mooi niet door. Ze hadden me gezien, snapten wel hoe de vork in de steel zat. Dus ik was eruit. Gediskwalificeerd. Als pleister op de wonde kreeg ik van Kees Pellenaars, die vertegenwoordiger was bij Radium-banden, toen drie tubes mee naar huis.”

Diezelfde ‘Pel’ had het sowieso wel op met Grift. ,,Het was, denk ik,1951. Pellenaars was heel stellig: Grift, volgend jaar ga jij mee naar de Tour. Toen gaf ik er weinig om. Achteraf had ik het graag mee willen maken. Dat was toch een hele ervaring geweest. Maar het kwam er nooit van. Het seizoen erop ben ik gestopt. Besloot ik bij mijn schoonvader te gaan werken, in een electrobedrijf. Die man had me al vaak genoeg hoofdschuddend aangekeken. Me ook zien zitten, voor dood. Vaak met van die gezwollen enkels. In Groningen, tijdens de Ronde van Nederland, kwam hij speciaal biefstuk brengen. Van Piet de Bruin, de paardenslager uit de Hilversumse Spoorstraat. Om een beetje op krachten te komen. Meer dan eens heeft hij geroepen: jongen, gooi die fiets toch aan de kant. Op een gegeven moment was ik het eigenlijk wel met hem eens, het leverde te weinig op.”

Voor De Gooi-en Eemlander (en andere GPD-bladen), 4 juni 1998

Advertisements

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Wielrennen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s